Decembermoorden-proces en Constitutioneel Hof

 

Mr. G. Spong & Mr. T.G. van der Zwaag, 12 juni 2020. [Lees als PDF]

 

Hoop is het brood der ellendigen, zegt men. Voor Bouterse, die in november 2019 wegens het medeplegen van moord tot 20 jaar gevangenisstraf werd veroordeeld, lijkt deze hoop echter een indrukwekkende gestalte te krijgen. Om het verloop van het Decembermoordenproces in verzet of hoger beroep na vele eerdere vruchteloze pogingen nu eindelijk eens effectief en op gezaghebbende wijze te kunnen frustreren, is voor de geprivilegieerde moordverdachte een heus Hoog College van Staat opgetuigd, dat luistert naar de naam Constitutioneel Hof.

 

Doornroosje wakker gekust: effectief frustratiewapen of kat in de zak?

Maar liefst 45 jaar lang lag dit hof als een Doornroosje heerlijk in de Surinaamse Grondwet te slapen. Het bestond alleen op papier; kennelijk was er al die tijd geen dringende behoefte aan. Maar toen duidelijk werd dat Bouterse strafrechtelijk serieus in het nauw zou kunnen komen, werd het hof door de NDP-fractie wakker gekust en door hun voorman Bouterse als laatste strohalm vastgeklampt.

Net als de onfrisse uitbreiding van de Amnestiewet van april 2012, werd de ‘Wet Constitutioneel Hof’ door de Nationale Assemblée aangenomen met 28 stemmen voor. Dit gebeurde in augustus 2019. Er waren geen stemmen tegen, omdat de oppositie uit onvrede niet stemde. Nu de NDP-fractie recentelijk van 26 tot 16 zetels is teruggebracht, is het niet ondenkbaar dat de Amnestiewet en de Wet Constitutioneel Hof weer worden ingetrokken c.q. aangepast. Maar zolang dat nog niet is gebeurd, is de vraag relevant: heeft Bouterse met zijn Constitutioneel Hof een effectief frustratiewapen gekocht of de zoveelste kat in de zak?

 

Klip en klaar wat de NDP met het nieuwe hof wil bereiken

Zelf lijken hij en zijn NDP-kompanen overtuigd van het eerste. Dat blijkt wel uit de voortvarendheid waarmee het hof werd opgetuigd. Nadat de wet op 14 januari 2020 is werking trad, konden al op 7 mei 2020 de voorzitter en de overige leden van het hof worden benoemd. De kersverse voorzitter Karg-Stirling verklaarde bij die gelegenheid vroom dat rechtsstatelijkheid voor het Constitutioneel Hof de enige leidraad zal zijn. En dat is haar geraden. Want nog geen week later kondigde NDP-fractievoorzitter Amzad Abdoel aan dat zeven leden van zijn fractie van de nieuwe wettelijke mogelijkheid gebruik zullen maken om de Amnestiewet ter toetsing aan het Constitutioneel Hof voor te leggen. Abdoel vindt namelijk dat de rechter het recht van de Nationale Assemblée om amnestie te verlenen terzijde heeft geschoven en zich toetsingsbevoegdheden heeft toegeëigend die aan het Constitutioneel Hof toekomen. Het is dus klip en klaar wat de NDP met het nieuwe hof wil bereiken: straffeloosheid voor de Decembermoorden. Maar zal deze opzet slagen? En kleeft aan het NDP-verzoekschrift wellicht ook een risico voor Bouterse en anderen?

 

Wellicht ook een risico?

Om met dat risico te beginnen, de kans bestaat — en als rechtsstatelijkheid daadwerkelijk de enige leidraad van het hof zal zijn, is die kans reëel —, dat het Constitutioneel Hof de malicieuze Amnestiewet net als de Krijgsraad in strijd acht met het grondwettelijk verbod op inmenging in zaken die bij de rechter aanhangig zijn. Of in strijd met het recht op leven of andere mensenrechten, zoals die welke de belangen van de nabestaanden van slachtoffers van mensenrechtenschendingen beschermen. Aan zo’n oordeel is dan automatisch het wettelijk gevolg gekoppeld dat de Amnestiewet ‘onverbindend wordt geacht’, wat inhoudt dat die wet in haar huidige vorm in geen enkele zaak meer toegepast mag worden. Met haar verzoekschrift heeft de NDP ironisch genoeg zelf het risico op deze uitkomst gecreëerd.

 

Gewenste uitkomst zonder rechtsgevolgen

De tweede mogelijkheid is dat het Constitutioneel Hof anders dan de Krijgsraad oordeelt dat de Amnestiewet níet in strijd is met het inmengingsverbod. Abdoel en de NDP zouden dat graag willen horen, maar zelfs als dat het oordeel van het hof zou zijn, is het nog maar de vraag of Bouterse in het Decembermoordenproces daarmee is geholpen. Waarom? In de eerste plaats omdat noch de Grondwet noch de Wet Constitutioneel Hof aan deze uitkomst enig rechtsgevolg verbindt. De Amnestiewet zou in dat geval blijven gelden zoals deze nu ook geldt en zoals deze ook op 9 juni 2016 gold toen het belangrijke tussenvonnis van de Krijgsraad werd gewezen en op 29 november 2019 toen Bouterse voor moord werd veroordeeld. Er zou dus niets veranderen aan de verbindendheid van de Amnestiewet.

 

Oordeel Krijgsraad in 2016 en 2019

Dit vergt wellicht enige uitleg. Anders dan weleens wordt beweerd, heeft de Krijgsraad in 2016 (met volharding in 2019) de Amnestiewet niet ongeldig oftewel onverbindend verklaard, maar uitsluitend geoordeeld dat de toepassing daarvan in de concreet voorliggende strafzaak, het Decembermoordenproces, ongeoorloofd was. Dat deed de Krijgsraad op basis van zijn eigen grondwettelijke bevoegdheid om de toepassing van wettelijke bepalingen aan de grondrechten en aan verdragen te toetsen. In 2016 stelde de Krijgsraad vast dat de schorsing van de vervolging — waartoe in 2012 was besloten om het Constitutioneel Hof over de vraag te laten oordelen of de Amnestiewet in strijd is met het grondwettelijk inmengingsverbod — inmiddels meer dan vier jaar had voortgeduurd zonder dat er concrete acties waren ondernomen om het Constitutionele Hof in te stellen en te doen functioneren. Daarom werd er volgens de Krijgsraad in strijd gehandeld met het grond- én mensenrecht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn.

 

Politici met boter op het hoofd

De schorsing duurde dus zo lang omdat het Constitutioneel Hof in 2016 nog altijd niet was opgericht. De Krijgsraad wachtte op een spookhof. Gelet op het beginsel van berechting binnen een redelijke termijn en de gerechtvaardigde belangen van alle betrokken partijen, zag de Krijgsraad zich daarom genoodzaakt zelf de vraag over het grondwettelijk inmengingsverbod te beantwoorden. Maar dat deed hij alleen voor het concrete, voorliggende geval. Zijn oordeel luidde dat toepassing van de in 2012 gewijzigde Amnestiewet gelet op het vergevorderde stadium waarin het Decembermoordenproces zich bevond, zonder meer in strijd was met het grondwettelijke inmengingsverbod. Op grond van die overweging én op grond van zijn oordeel dat als gevolg van de Amnestiewet in strijd werd gehandeld met het recht op behandeling binnen een redelijke termijn, verklaarde de Krijgsraad de toepassing van de Amnestiewet in de voorliggende strafzaak ongeoorloofd en werd deze wet, of preciezer gezegd artikel 1 daarvan, daarom buiten toepassing gelaten.

Politici die de macht hadden om het Constitutioneel Hof in de periode 2012-2016 tot leven te brengen maar dat uit Decembermoordenprocestactische redenen toen niet deden, hebben behoorlijk wat boter op het hoofd voor zover zij de Krijgsraad bekritiseren omdat deze, door het langdurige uitstel daartoe genoodzaakt, zelf de constitutionele vraag voor de concreet voorliggende strafzaak beantwoordde.

 

Hoe nu verder?

Hoe nu verder? Kan het Constitutioneel Hof, dat inmiddels dankzij de NDP is opgetuigd, een frustrerende invloed hebben op het Decembermoordenproces in verzet of hoger beroep? En zo ja, op welke wijze?

 

Constitutioneel Hof is geen rechterlijk orgaan

Vermoedelijk zal het met deze frustrerende invloed meevallen. Onder ogen moet namelijk worden gezien dat het Constitutioneel Hof geen rechterlijk orgaan is: het spreekt geen recht en mag zich niet met rechtspraak inlaten. Een consequentie daarvan is dat het Constitutioneel Hof de rechter niet kan voorschrijven hoe hij in een concrete zaak moet oordelen. Aan de onafhankelijkheid van de rechter wordt dus geen afbreuk gedaan, wat ook niet mogelijk zou zijn nu deze onafhankelijkheid zowel door de Grondwet als door mensenrechtenverdragen wordt vereist. Als het hof weigert om binnen deze lijntjes te kleuren en zich wél met rechtspraak inlaat, dan handelt het hof onconstitutioneel. Het zou in dat geval zijn grondwettelijke taakomschrijving te buiten gaan en zélf het grondwettelijk verbod op inmenging in zaken die bij de rechter aanhangig zijn schenden. In een rechtsstaat zijn alle staatsorganen die de Grondwet in het leven roept zelf ook aan die Grondwet onderworpen. En als er één orgaan is waarvoor dat in wel heel sterke mate geldt — what’s in a name? —, dan is het wel het Constitutioneel Hof.

 

Taken Constitutioneel Hof

De belangrijkste taken van het Constitutioneel Hof zijn het toetsen van de inhoud van wetten of delen daarvan aan de Grondwet en aan burgers bindende bepalingen in verdragen, en het beoordelen van de verenigbaarheid van bestuursbesluiten (inclusief presidentiële besluiten!) met de in de grondwet verankerde grondrechten. De gedachte is dat daardoor vooral grond- en mensenrechten beter zullen worden gewaarborgd in Surinames wetgeving en bestuur.

 

Geen conflictueus karakter

Toetsing van wetten door het Constitutioneel Hof is abstract en algemeen van aard en beoogt de eventuele strijdigheid van een wet met de Grondwet of verdragen te signaleren en op te heffen. De zelfstandige grondwettelijke toetsingsbevoegdheid van rechters in concrete zaken blijft daarnaast volledig overeind. De toelichting bij de wet stelt in zoverre terecht dat de verhouding tussen het hof en de rechter ‘een complementair en geen conflictueus karakter’ heeft. Dit conflictvermijdende karakter van deze verhouding vormt een waarborg tegen dwarsliggerij van het hof ten opzichte van rechter.

Wat de toetsing van wetten betreft, krijgt een rechter eigenlijk alleen met een oordeel van het Constitutioneel Hof te maken indien dat hof een wet in strijd met de Grondwet of verdragen oordeelt, want dan wordt die wet geacht onverbindend te zijn en mogen rechters die wet in geen enkele zaak meer toepassen. Overigens niet omdat het Constitutioneel Hof dat zegt, maar alleen omdat de Grondwet en de Wet Constitutioneel Hof dat gevolg aan dit oordeel van het hof verbinden. In het Decembermoordenproces is dit scenario echter vermoedelijk niet aan de orde.

 

Mogelijke scenario’s in het Decembermoordenproces

Scenario’s die in het verdere verloop van het Decembermoordenproces wél aan de orde kunnen komen zijn:

1 – de Amnestiewet is door ten minste zeven leden van de Nationale Assemblée aan het Constitutioneel Hof ter toetsing voorgelegd, maar dat hof heeft op het moment dat het Decembermoordenproces wordt voortgezet daarover nog geen oordeel gegeven;

2 – de Amnestiewet is door ten minste zeven leden van de Nationale Assemblée aan het Constitutioneel Hof ter toetsing voorgelegd en het hof heeft op het moment dat het Decembermoordenproces wordt voortgezet reeds geoordeeld dat de Amnestiewet niet in strijd is met de Grondwet of verdragen.

 

Verontrustende schorsingsbepaling een Boa constrictor?

In het eerste scenario zijn enkele op het eerste gezicht verontrustende bepalingen van de Wet Constitutioneel Hof van toepassing, die het harmonieuze beeld dat in de toelichting wordt geschetst van de verhouding tussen hof en rechter verstoren. Ook in deze wet schuilt de duivel kennelijk in de details. Het gaat vooral om de vraag of de rechter de behandeling van het Decembermoordenproces moet schorsen in verband met de constitutionele toetsing door het hof.

De bepaling die de rechter verplicht ambtshalve de behandeling van een zaak te schorsen in verband met constitutionele toetsing door het hof, lijkt op het eerste gezicht niet slechts een addertje onder het gras, maar een heuse Boa constrictor te bevatten. Bepaald is namelijk dat als de rechter wordt gevraagd in een concrete zaak van zijn grondwettelijke toetsingsbevoegheid gebruik te maken, terwijl de wet waarom het gaat tevens ter toetsing aan het hof is voorgedragen, de rechter ambtshalve de behandeling van de zaak moet schorsen totdat het hof een beslissing heeft gegeven.

Als je dit goed op je laat inwerken, dan betekent het nogal wat. Immers, voor het triggeren van deze schorsingsverplichting is in het hier geschetste eerste scenario dan nog slechts vereist dat de raadsman van de verdachte het eerder gevoerde verweer herhaalt dat de aanklager niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van de Amnestiewet. Dan zou de rechter de toepassing van die Amnestiewet net als in 2016 en 2019 moeten toetsen aan de grond- en mensenrechten en zou er dus een situatie zijn ontstaan waarin de rechter verplicht is de behandeling van de zaak te schorsen.

 

Is er een uitweg?

Kan de rechter onder deze schorsingsverplichting uit? Gelukkig wel. De wet houdt namelijk ook in dat geen schorsing plaatsvindt in de volgende drie gevallen:

1) beantwoording van de constitutionele vraag door het hof is niet onontbeerlijk voor de uitspraak van de rechter in het concrete geval dat aan hem is voorgelegd;

2) er kan redelijkerwijs geen twijfel bestaan over de oplossing van de gerezen vraag;

3) de zaak gedoogt wegens haar spoedeisend karakter geen uitstel.

Hoewel in het Decembermoordenproces zou kunnen worden bepleit dat al deze gevallen toepasselijk zijn, vormt het eerste geval wellicht de meest solide grondslag voor het achterwege laten van een schorsing. Immers, als de rechter van oordeel is dat toepassing van de Amnestiewet in het Decembermoordenproces in strijd is met een of meer grond- of mensenrechten, dan is het voor zijn uitspraak om het even of het Constitutioneel Hof die Amnestiewet nu wel of niet in strijd acht met de Grondwet. Want of die Amnestiewet nu verbindend of onverbindend moet worden geacht, de rechter past die wet in het Decembermoordenproces dan toch niet toe. Om die reden zou het oordeel van het hof in dat geval niet onontbeerlijk zijn voor de uitspraak van de rechter.

 

Gronden voor buiten toepassing laten Amnestiewet (I): redelijke termijn

De Boa constrictor lijkt dus betrekkelijk krachteloos te zijn, ofschoon de beslissing om niet te schorsen wel vereist dat de rechter evenals in 2016 en 2019 van oordeel is dat de toepassing van de Amnestiewet in het Decembermoordenproces in strijd is met een of meer grond- of mensenrechten. Dat oordeel zou bij de beslissing om niet te schorsen wederom gegrond kunnen worden op het grond- en mensenrecht op behandeling binnen een redelijke termijn. Bij deze beslissing vormt dat op zichzelf een toereikende grondslag daarvoor, ook nu het Constitutioneel Hof volgens de wet binnen drie maanden een beslissing moet nemen. Immers, de vervolging duurt al bijna twintig jaar en het hof mag van zijn beslistermijn van drie maanden in ‘bijzondere gevallen’ afwijken, waarbij het zelf bepaalt of een geval bijzonder is of niet. Die beslistermijn biedt dus nauwelijks een garantie voor vlotte afdoening.

 

En verder?

De rechter zou aan zijn oordeel dat de toepassing van de Amnestiewet in het Decembermoordenproces in strijd is met een of meer grond- of mensenrechten, echter ook nog andere grond- en mensenrechten ten grondslag kunnen leggen, zoals het recht op leven, en de mensenrechten die nabestaanden van slachtoffers van ernstige mensenrechtenschendingen zoals buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies toekomen, met name het recht om te worden gehoord door een rechter en het recht op effectieve rechtsbescherming.

In het eerdergenoemde tweede scenario, waarin het Constitutioneel Hof op het moment dat het Decembermoordenproces wordt voortgezet al heeft geoordeeld dat de Amnestiewet niet in strijd is met de Grondwet of verdragen, is een schorsing van de behandeling niet aan de orde en kan de rechter het buiten toepassing laten van de Amnestiewet dus niet op het recht op behandeling binnen een redelijke termijn baseren, maar alleen op andere grond- en mensenrechten.

 

Gronden voor buiten toepassing laten Amnestiewet (II): recht op leven

Uit hoofde van de in Suriname van kracht zijnde mensenrechtenverdragen brengt de bescherming van het recht op leven verplichtingen mee voor de staat Suriname ingeval dat mensenrecht is aangetast. Het Mensenrechtencomité heeft dat in zijn betrekkelijk recente ‘General Comment’ van 30 oktober 2018 over het recht op leven nader uiteengezet. Op de staat, inclusief zijn rechterlijke macht, rust in dat geval de verplichting om te verzekeren dat de verantwoordelijken worden berecht en dat straffeloosheid wordt voorkomen. In relatie tot het recht op leven merkt het comité over immuniteiten hierbij het volgende op:

‘Immuniteiten en amnestieën verleend aan daders van moord en doodslag (‘perpetrators of intentional killings’) en aan hun superieuren, en vergelijkbare maatregelen die leiden tot feitelijke of juridische straffeloosheid, zijn in de regel onverenigbaar met de verplichting om het recht op leven te respecteren en te waarborgen, en om slachtoffers een effectief rechtsmiddel te bieden.’

Het Mensenrechtencomité bouwt hierbij voort op een eerdere General Comment van 29 maart 2004 over de verplichtingen die op verdragsstaten rusten. Ook daarin geeft het comité aan dat staten verplicht zijn om te verzekeren dat degenen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen worden berecht. Als dat wordt nagelaten, kan dat een zelfstandige schending van het verdrag opleveren. Volgens het comité gelden deze verplichtingen in het bijzonder bij schendingen van mensenrechten die in het nationale of internationale recht als strafbare feiten worden aangemerkt. Bij wijze van voorbeeld noemt het comité hierbij in relatie tot het recht op leven expliciet standrechtelijke en willekeurige executies. Indien overheidsfunctionarissen dit soort mensenrechtenschendingen hebben gepleegd, mogen zij niet van hun persoonlijke verantwoordelijkheid worden ontheven ‘zoals is voorgekomen bij bepaalde amnestieën’, aldus het comité.

 

Gronden voor buiten toepassing laten Amnestiewet (III): rechten nabestaanden

Het Mensenrechtencomité wijst in zijn General Comment van 30 oktober 2018 ook naar rechtspraak van het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens, in het bijzonder naar de uitspraak uit 2001 over het Barrios Altos-bloedbad in Lima, Peru, in 1991. Daarbij werden vijftien mensen gedood door leden van de Peruaanse strijdkrachten, evenveel mensen als bij de Decembermoorden. Hoewel dit niet de eerste keer was dat het Inter-Amerikaans Hof zich over amnestieën uitliet, wordt deze uitspraak, die in latere jaren is bevestigd, als een ‘landmark judgement’ gezien, een belangrijke richtinggevende uitspraak.

Klip en klaar oordeelt het Inter-Amerikaanse Hof in deze zaak dat amnestiewetten ontoelaatbaar zijn omdat die bedoeld zijn om bestraffing te voorkomen van personen die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen zoals buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies. Het hof oordeelt dat dit in strijd is met het recht van de nabestaanden van slachtoffers om door een rechter te worden gehoord en met hun recht op rechtsbescherming. Verdragsstaten moeten de uitoefening van die rechten verzekeren en dat kan niet als amnestie wordt verleend.

Het hof acht amnestiewetten duidelijk onverenigbaar (‘manifestly incompatible’) met de doelen en de geest van het Amerikaanse mensenrechtenverdrag, waarbij ook Suriname is aangesloten. Het invoeren c.q. niet-intrekken van amnestiewetten wordt dan ook in strijd geacht met de verplichting om het nationale recht in overeenstemming te brengen met dit verdrag.

 

Wie de schoen past, trekke hem aan

NDP-fractievoorzitter Amzad Abdoel, die zich erover beklaagt dat de Surinaamse rechter ‘het recht van de Nationale Assemblée om amnestie te verlenen’ terzijde heeft geschoven, ziet het dus glad verkeerd. Naar mensenrechtelijke maatstaven gemeten was er helemaal geen recht van de Nationale Assemblée om amnestie te verlenen voor de Decembermoorden. Integendeel: door de aanvaarding van de Amnestiewet van 2012 heeft de Assemblée zélf een recht, een mensenrecht nog wel, geschonden. Drie staatsorganen in Suriname bevinden zich momenteel in een excellente positie om dit eens en voor altijd duidelijk te maken: het parlement, dat respect kan verdienen door beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald de Amnestiewet weer in te trekken; het Constitutioneel Hof, dat nationaal en internationaal een sprankelende entree kan maken door de Amnestiewet in strijd te achten met de grond- en mensenrechten; en de rechter in het zo belangrijke Decembermoordenproces, die de Amnestiewet eervol en standvastig op dezelfde grond buiten toepassing kan laten in het Decembermoordenproces. Wie de schoen past, trekke hem aan.

 

Goodwill kweken

Naar verluidt wil de nieuwe post-Bouterse regering van Suriname de banden met de internationale gemeenschap aanhalen. Respect voor mensenrechten zal daarbij een belangrijk ijkpunt zijn. Afgezien van het niet te onderschatten belang van de verwezenlijking van mensenrechten an sich, zou het dus ook politiek opportuun zijn om internationaal goodwill te kweken door de Amnestiewet in te trekken.   

 

Inmengingsverbod een gepasseerd station

Strijd met het recht op leven en strijd met rechten van nabestaanden vormen niet alleen een solide en gepaste grondslag voor het buiten toepassing laten van de Amnestiewet in het Decembermoordenproces. De rechter zou daarmee ook nog iets anders bereiken. Door zijn beslissing om deze wet niet toe te passen te baseren op deze grond- en mensenrechten, hoeft de rechter zich niet meer uit te spreken over het grondwettelijk inmengingsverbod. Dat punt is dan immers inhoudelijk al via de weg van deze grond- en mensenrechten opgelost en daarmee een gepasseerd station. De rechter kan zijn beslissing zo immuun maken voor de kritiek dat hij de grenzen van zijn grondwettelijke toetsingsbevoegdheid — die is beperkt tot de grondrechten en eenieder verbindende verdragsbepalingen — zou overschrijden.

 

Slotsom

Gelet op het voorgaande is onze slotsom dat het Decembermoordenproces geen hinder behoeft te ondervinden van het wakker gekuste Constitutioneel Hof. Bouterse heeft geen effectief frustratiewapen gekocht, maar een kat in de zak.

 

 

NOTEN

Mr. G. Spong is advocaat te Amsterdam.

Mr. T.G. van der Zwaag is verbonden aan de Spong Law Academy.

 

Bouterse, die in november 2019 wegens het medeplegen van moord tot 20 jaar gevangenisstraf werd veroordeeld.

Zie het vonnis van de Krijgsraad van 29 november 2019: https://rechtspraak.sr/wp-content/uploads/2019/12/KRG-2019-46.pdf.

 

Om het verloop van het Decembermoordenproces in verzet of hoger beroep na vele eerdere vruchteloze pogingen nu eindelijk eens effectief en op gezaghebbende wijze te kunnen frustreren, is voor de geprivilegieerde moordverdachte een heus Hoog College van Staat opgetuigd. (…) Maar toen duidelijk werd dat Bouterse strafrechtelijk serieus in het nauw zou kunnen komen, werd het hof door de NDP-fractie wakker gekust.

Dit is onze interpretatie van de politieke motivatie voor de totstandkoming van de Wet Constitutioneel Hof. Zie voor een overzicht van de eerdere vruchteloze frustratiepogingen; Gerard Spong, ‘We krijgen de rechtsstaat niet cadeau!’, in: Marjan Goslings en René Klomp (red.), Tegenkrachten, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2018, p. 33-45.

De totstandkomingsgeschiedenis van de Wet Constitutioneel Hof vertoont opmerkelijke parallellen met het verloop van het Decembermoordenproces. Zo is Ricardo Panka (NDP), een van de initiatiefnemers van de wijziging van de Amnestiewet in 2012 waarbij de Decembermoorden onder de Amnestiewet werden gebracht, in dat jaar tevens voorzitter van de commissie die de ontwerpwet Wet Constitutioneel Hof voorbereidt. De Krijgsraad schorst in 2012 de vervolging om de Amnestiewet te laten toetsen door het nog niet bestaande Constitutioneel Hof. Panka laat omstreeks diezelfde tijd weten dat er ‘absoluut geen haast’ behoeft te worden gemaakt met de ontwerpwet Constitutioneel Hof. En inderdaad verstrijken er vervolgens vier jaren zonder dat er concrete acties worden ondernomen om het Constitutionele Hof in te stellen en te doen functioneren.

Mede daarom beslist de Krijgsraad op 9 juni 2016 dat het Decembermoordenproces wordt voortgezet. En ineens komt de voorbereiding van de ontwerpwet in een stroomversnelling, nu onder leiding van de nieuwe voorzitter van de voorbereidende commissie, Melvin Bouva (NDP), die in 2012 eveneens een van de initiatiefnemers van de wijziging van de Amnestiewet was. Op 14 juli 2016 werd de ontwerpwet door het parlement in behandeling genomen, maar deze behandeling werd op 18 juli 2016 na de eerste ronde vragen van het parlement weer geschorst, omdat de regering verzocht om meer tijd voor bestudering van de ontwerpwet alvorens de vragen in de eerste ronde te beantwoorden.

Het lijkt niet te ver gezocht om te vermoeden dat bij dit uitstel van de parlementaire behandeling op verzoek van de regering op de achtergrond meespeelde dat de aanklager (Auditeur-Militair) in het Decembermoordenproces op 30 juni 2016 bij de Krijgsraad een verzoek had ingediend om dat proces met onmiddellijke ingang te beëindigen, waarna de zitting werd geschorst. Dat deed de aanklager op instructie van de procureur-generaal die daartoe op zijn beurt een bevel in het belang van de staatsveiligheid had gekregen van president, en tevens verdachte, Bouterse. Dat verzoek wees de Krijgsraad eind januari 2017 weliswaar af, maar het duurde tot 11 mei 2017 voordat het appel tegen die afwijzing door het Hof van Justitie niet-ontvankelijk werd verklaard, waarna de aanklager op 28 juni 2017 de strafeis uitsprak. Al met al leverde Bouterses bevel dus een jaar vertraging met ongewisse uitkomst op. Eerst later, voor zover valt na te gaan in 2018, diende de regering een nota van wijziging (voorstel tot wijziging) van de ontwerpwet in. En op 30 augustus 2019 beantwoordde de regering de vragen die de Assembléeleden in juli 2016 in de eerste ronde hadden gesteld. Op dezelfde dag, krap drie maanden vóór Bouterses veroordeling op 29 november 2019, werd de parlementaire behandeling afgerond en werd de ontwerpwet met 28 stemmen voor aangenomen.

 

Maar liefst 45 jaar lang lag dit hof als een Doornroosje heerlijk in de Surinaamse Grondwet te slapen. Het bestond alleen op papier; kennelijk was er al die tijd geen dringende behoefte aan.

Doornroosje woelde wel in haar slaap en ging af en toe verliggen. De bepalingen over het Constitutioneel Hof in de Grondwet van 1975 zijn zowel in 1987 als in 1992 gewijzigd. In 1987 werd de regeling verhuisd van artikel 100 naar artikel 144 van de Grondwet. En zowel in 1987 als in 1992 werd de taakomschrijving van het hof veranderd. In de toelichting bij de Wet Constitutioneel Hof wordt deze ontwikkeling goed en helder beschreven (S.B. 2019, No. 118, p. 16-18), zie: http://www.dna.sr/media/270973/SB_2019___118.pdf.

Het hof bestond tussen 1975 en 2020 alleen op papier, omdat al die tijd was nagelaten de voor de uitvoering van artikel 144 Grondwet vereiste wet in te voeren. In de toelichting bij de Wet Constitutioneel Hof wordt niet beargumenteerd waarom het Constitutioneel Hof in Suriname decennialang kon worden gemist, maar inmiddels, plotsklaps, wél noodzakelijk wordt geacht. Voor een wet die in potentie verstrekkende gevolgen kan hebben voor wetgeving en bestuur in een land is dat opmerkelijk. Tijdens de behandeling van de ontwerpwet in de Nationale Assemblée op 14 juli 2016 bracht Melvin Bouva van de NDP overigens wel enkele argumenten naar voren. Volgens hem is de instelling van het Constitutioneel hof noodzakelijk:

1) voor een optimale beleving van de rechtsstaat en democratie;

2) omdat de vele slepende rechtszaken die tot op heden nog niet tot hun recht zijn gekomen stagnerend kunnen werken op het te voeren regeringsbeleid en op het leven en het werk van vele lagen van de maatschappij; gedacht kan worden aan ‘de Terugroepwet, de Amnestiewet en nog vele andere zaken die jaren voortslepen’, maar ook aan besluiten van bestuursorganen;

3) omdat we een gericht beleid moet voeren en zoveel mogelijk moeten proberen om ongewenste situaties te vermijden en dat kan op korte termijn alleen door het implementeren van deze wet;

4) doordat eenieder zijn eigen interpretatie geeft aan zaken, er soms ook emoties bij haalt en soms sociale en sociaal-maatschappelijke invloeden, familiaire banden en invloeden en zelfs ook politieke banden en invloeden; dat werkt averechts op verschillende rechtszaken of beslissingen die genomen worden en rechtszaken die lopende zijn.

Zie: http://www.youtube.com/watch?v=IbWXIezMRDQ&t=3m5s.

Hoewel het vierde argument niet gemakkelijk te volgen is, bevestigen het tweede, derde en vierde argument ons in onze interpretatie van de werkelijke politieke motivatie voor de Wet Constitutioneel Hof. De huichelachtigheid druipt ervan af.

 

Nu de NDP-fractie recentelijk van 26 tot 16 zetels is teruggebracht, is het niet ondenkbaar dat de Amnestiewet en de Wet Constitutioneel Hof weer worden ingetrokken c.q. aangepast.

In november 2015 heeft het Mensenrechtencomité, dat toeziet op de naleving van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), in zijn conclusies over de derde rapportage van de Surinaamse regering Suriname met klem opgeroepen de Amnestiewet in te trekken, zie: https://bit.ly/2Avah3B, par. 21-22. Een volgende periodieke rapportage ligt in het verschiet.

In het geval van de Wet Constitutioneel Hof zou moeten worden voorkomen dat het kind met het badwater wordt weggegooid. In beginsel kan het hof immers een belangrijke aanvullende rechtsbeschermende functie vervullen ter waarborging van de naleving van grond- en mensenrechten in de wetgeving en het bestuur van Suriname. Wellicht is het zinvol de toepassing van de wet in de praktijk eerst enkele jaren te monitoren en bijvoorbeeld in het najaar van 2024 te evalueren, waarna de wetgever op grond van de uitkomsten van die evaluatie desgewenst kan besluiten de wet te verbeteren. Als in de praktijk eerder al belangrijke knelpunten naar voren komen, kunnen die uiteraard eerder worden verholpen. (Bij de eerstkomende wijziging van de Wet Constitutioneel Hof zouden in ieder geval de twee grammaticale fouten in artikel 34, eerste lid, weggenomen moeten worden, voor zover het artikel niet al kan vervallen.)

 

Dat zeven leden van zijn fractie van de nieuwe wettelijke mogelijkheid gebruik zullen maken.

Tot het indienen van een schriftelijk verzoek tot toetsing van een wet zijn ingevolge artikel 12, vierde lid, van de Wet Constitutioneel Hof gerechtigd: a. ten minste zeven leden van De Nationale Assemblée; b. de President, of namens hem de Minister; c. de President van het Hof van Justitie; d. een advocaat die is toegelaten tot de Balie van het Hof van Justitie. De gedachte achter de bepaling onder a is dat grondrechten daarmee ook ten aanzien van groepen personen, zoals minderheden in de samenleving, tot gelding kunnen worden gebracht, zie de memorie van toelichting bij de Wet Constitutioneel Hof, S.B. 2019, No. 118, p. 16, 20-21. De wet en de toelichting zijn online beschikbaar via: http://www.dna.sr/media/270973/SB_2019___118.pdf.

 

De kersverse voorzitter Karg-Stirling verklaarde (…); Abdoel vindt namelijk (…).

Zie het bericht ‘Rechtsstatelijkheid enige leidraad Constitutioneel Hof’ (https://bit.ly/2MO9Zrc) en het bericht ‘Partijgenoten Bouterse willen toetsing Amnestiewet’ (https://bit.ly/30BjJNm). Zoals elders in dit artikel zal worden betoogd, kan op grond van verplichtingen die uit hoofde van mensenrechtenverdragen (IVPBR, AVMR) op Suriname rusten worden betwist dat de wetgever het recht heeft amnestie te verlenen op de wijze waarop dat in 2012 werd gedaan.

 

In strijd acht met het grondwettelijk verbod op inmenging in zaken die bij de rechter aanhangig zijn.

Dit verbod is neergelegd in artikel 131, derde lid, van de Grondwet en luidt: ‘Elke inmenging inzake de opsporing en de vervolging en in zaken bij de rechter aanhangig, is verboden.’

 

Of in strijd met het recht op leven of andere mensenrechten, zoals die welke de belangen van de nabestaanden van slachtoffers van mensenrechtenschendingen beschermen.

Dit wordt verderop in dit artikel uitgelegd. Aandacht verdient dat artikel 12 van de Wet Constitutioneel Hof het hof lijdelijk maakt in die zin dat het alleen na een schriftelijk toetsingsverzoek tot toetsing kan overgaan. Artikel 12 beperkt de toetsingsbevoegdheid van het hof echter niet tot de in het toetsingsverzoek aangevoerde gronden. Dus als een toetsingsverzoek uitsluitend zou vragen om toetsing van een wet aan het grondwettelijk inmengingsverbod, dan staat het het hof niettemin vrij die wet tevens aan grond- en mensenrechten zoals het recht op leven te toetsen. 

 

Daarom werd er volgens de Krijgsraad in strijd gehandeld met het grond- én mensenrecht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn.

Het tussenvonnis van de Krijgsraad van 9 juni 2016 is online beschikbaar via: https://www.rechtersvoorrechters.nl/media/nieuws/VonnisKrijgsraad.2016.pdf

Hoe lang een behandeling binnen een redelijke termijn precies is of moet zijn, kan in zijn algemeenheid niet worden beantwoord, omdat dit afhangt van diverse factoren waaronder de complexiteit van de zaak, de proceshouding van de verdachte en de stappen die justitiële autoriteiten in een zaak hebben gezet.

In een strafzaak beoogt het recht op behandeling binnen een redelijke termijn te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. Naast de bescherming die aldus aan de verdachte wordt geboden, zijn er ook andere factoren die nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de preventieve werking die geacht wordt uit te gaan van berechting en bestraffing, de gerechtvaardigde belangen van eventuele slachtoffers van het feit of hun nabestaanden en de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van bijvoorbeeld eventuele getuigen. Zie hierover voor Nederland: HR 3 maart 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7309, r.o. 3.11. (In artikel 51a van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering wordt onder het slachtoffer tevens de nabestaande begrepen.) Zie ook General Comment No. 32 van het Mensenrechtencomité over artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), par. 35: ‘The right of the accused to be tried without undue delay, provided for by article 14, paragraph 3 (c), is not only designed to avoid keeping persons too long in a state of uncertainty about their fate (…), but also to serve the interests of justice’.

Het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn geldt overigens ook in andere rechtszaken dan strafzaken. In Suriname volgt dit uit artikel 10 van de Grondwet en artikel 8, eerste lid, van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens (AVRM). Slachtoffers hebben ook op grond van het recht op rechtsbescherming in artikel 25, eerste lid, AVRM, aanspraak op een spoedige behandeling. 

 

Zijn oordeel luidde dat toepassing van de in 2012 gewijzigde Amnestiewet gelet op het vergevorderde stadium waarin het Decembermoordenproces zich bevond, zonder meer in strijd was met het grondwettelijke inmengingsverbod.

Een terecht oordeel, temeer nu de wetswijziging plaatsvond tijdens het Decembermoordenproces.

 

Onder ogen moet namelijk worden gezien dat het Constitutioneel Hof geen rechterlijk orgaan is: het spreekt geen recht en mag zich niet met rechtspraak inlaten.

Zie de memorie van toelichting bij de Wet Constitutioneel Hof, S.B. 2019, No. 118, p. 23 (‘Enerzijds is er het Hof (…) dat – geen rechtelijk orgaan zijnde – zich niet met rechtspraak mag inlaten’) en p. 17 alwaar de memorie van toelichting bij de grondwetswijziging van 1992 wordt aangehaald (‘(…) zijn werkzaamheden kunnen namelijk “enerzijds niet van wetgevende aard zijn, maar anderzijds evenmin van rechtsprekende aard”; het hof is “een onafhankelijk staatsrechtelijk toetsingsorgaan dat zich als zodanig noch met wetgeving noch met rechtspraak inlaat” (…)’). Voor de wet en de toelichting, zie: http://www.dna.sr/media/270973/SB_2019___118.pdf.

In de Wet Constitutioneel Hof worden de voorzitter en de overige leden van het hof niet met ‘rechter’ aangeduid. Het Constitutioneel Hof zou wel een ‘rechtscollege’ kunnen worden genoemd, nu dat begrip niet scherp is omlijnd en in het juridisch taalgebruik wel vaker wordt gebruikt voor grondwettelijke colleges die geen deel uitmaken van de rechterlijke macht, zoals voor de Belgische Raad van State. Het gebruik van het begrip rechtscollege, dat noch in de Surinaamse grondwet, noch in de Wet Constitutioneel Hof voorkomt, kan echter wel tot verwarring leiden, omdat de betekenis daarvan in het gewone spraakgebruik is: ‘een college dat rechtspreekt’. Dat is bijvoorbeeld de enige betekenis die de dikke Van Dale van dit begrip geeft. Overigens suggereert het begrip ‘rechtscollege’ dat sprake is van een onpartijdig orgaan, hetgeen gelet op de huidige samenstelling van het hof kan worden betwijfeld. Enschedé schreef ooit: ‘Van de rechtstoepasser wordt in beginsel loyaliteit ten opzichte van de geldende wetgeving verwacht. Wordt daarmee niet een zedelijke band gelegd tussen de rechtstoepasser en het recht? Mag hij zijn loyaliteit aan elk rechtsstelsel geven, op de enkele grond dat het nu eenmaal een geldend stelsel is? (…) De weg van onze gebrekkige demokratie naar diktatuur en onderdrukking is kort en breed, de weg terug van de diktatuur, hoe benevolent ook, naar de demokratie is steil, smal en gevaarlijk’ (Ch.J. Enschedé, ‘Ethiek en strafrecht’, in: Speculum Langemeijer. 31 rechtsgeleerde opstellen, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1973, p. 86). Slechts de individuele moed van de leden van een rechtscollege kan het verschil maken tussen waarlijke rechtstoepassing en verhulde dictatuur.

 

Aan de onafhankelijkheid van de rechter wordt dus geen afbreuk gedaan, wat ook niet mogelijk zou zijn nu deze onafhankelijkheid zowel door de Grondwet als door mensenrechtenverdragen wordt vereist.

Zie de memorie van toelichting bij de Wet Constitutioneel Hof, S.B. 2019, No. 118, p. 18 (‘In het ontwerp zijn de toetsing door het Hof en die door de rechter op juridisch verantwoorde en praktisch uitvoerbare wijze op elkaar afgestemd, zonder dat aan de onafhankelijkheid van het Hof of aan die van de rechter afbreuk wordt gedaan.’). Van de rechter wordt door artikel 10 Grondwet, artikel 14, eerste lid, IVBPR en artikel 8, eerste lid, AVRM, geëist dat hij onafhankelijk is.

 

De belangrijkste taken van het Constitutioneel Hof zijn het toetsen van de inhoud van wetten of delen daarvan aan de Grondwet en aan burgers bindende bepalingen in verdragen, en het beoordelen van de verenigbaarheid van bestuursbesluiten (inclusief presidentiële besluiten!) met de in de grondwet verankerde grondrechten.

Zie artikel 144, derde lid, van de Grondwet en de artikelen 12 en 13 van de Wet Constitutioneel Hof. Inclusief presidentiële besluiten: zie de memorie van toelichting bij de Wet Constitutioneel Hof, S.B. 2019, No. 118, p. 20. Het woordje ‘inhoud’ betekent dat het Constitutioneel Hof niet bevoegd is te onderzoeken of de totstandkoming van wetten heeft plaatsgevonden overeenkomstig de daarvoor geldende grondwettelijke voorschriften. Het hof is met andere woorden niet bevoegd tot formele toetsing (memorie, p. 18-19).

 

De zelfstandige grondwettelijke toetsingsbevoegdheid van rechters in concrete zaken blijft daarnaast volledig overeind.

Dit is ook de conclusie van Mr. Dr. H. Fernandes Mendes in ‘Het Constitutioneel Hof; een nieuw avontuur in een staatsbestel in ontwikkeling’, Surinaams Juristenblad 2016, nr. 2. Deze toetsingsbevoegdheid van de rechter houdt in dat de rechter de toepassing van een wet (of van een specifieke bepaling in een wet) in een concreet voorliggende zaak onverenigbaar kan oordelen met een eenieder verbindende verdragsbepalingen (zoals mensenrechten die in het IVPBR en het AVRM zijn neergelegd), dan wel strijdig met een of meer grondrechten die in de Grondwet zijn neergelegd, en op die grond de wet of de wettelijke bepaling in de concreet voorliggende zaak buiten toepassing kan laten. Deze bevoegdheid staat in artikel 106 (voor wat betreft de eenieder verbindende verdragsbepalingen) en in artikel 137 (voor wat betreft de grondrechten) van de Grondwet.

 

De toelichting bij de wet stelt in zoverre terecht dat de verhouding tussen het hof en de rechter ‘een complementair en geen conflictueus karakter’ heeft.

Zie de memorie van toelichting bij de Wet Constitutioneel Hof, S.B. 2019, No. 118, p. 23.

 

Overigens niet omdat het Constitutioneel Hof dat zegt, maar alleen omdat de Grondwet en de Wet Constitutioneel Hof dat gevolg aan dit oordeel van het hof verbinden.

Zie artikel 144, derde lid, van de Grondwet en de artikelen 28 en 33 van de Wet Constitutioneel Hof, alsmede de memorie van toelichting bij de Wet Constitutioneel Hof, S.B. 2019, No. 118, p. 19.

 

Het gaat vooral om de vraag of de rechter de behandeling van het Decembermoordenproces moet schorsen in verband met de constitutionele toetsing door het hof.

De schorsingsbepaling waarom het gaat staat in artikel 32 van de Wet Constitutioneel Hof. De overgangsbepaling van artikel 34 bevat eveneens een schorsingsbepaling, maar die is op het Decembermoordenproces niet van toepassing, nu op grond van artikel 367, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering moet worden aangenomen dat de behandeling van een zaak na verzet pas aanvangt wanneer degene die in verzet is gekomen ten dienende dage in rechte verschijnt. En dat was op 22 januari 2020, terwijl de Wet Constitutioneel Hof al op 14 januari 2020 in werking was getreden.

Prejudiciële vragen

Als de Amnestiewet door zeven leden van de Nationale Assemblée aan het Constitutioneel Hof ter toetsing is voorgelegd en het hof op het moment dat het Decembermoordenproces wordt voortgezet nog geen oordeel heeft gegeven, zal zich vermoedelijk niet de situatie voordoen dat de rechter in verband met de constitutionele toetsing door het hof, aan dat hof zelf een vraag zou moeten of mogen voorleggen voordat de rechter in de voorliggende zaak een beslissing neemt (het zogeheten voorleggen van ‘prejudiciële vragen’). Omdat het voorleggen van dit soort vragen in andere zaken dan het Decembermoordenproces wel aan de orde kan komen en er iets merkwaardigs aan de hand is met de regeling van de prejudiciële vragen, wordt daar hier kort aandacht aan besteed.

Wat de prejudiciële vragen betreft, is het vooral de memorie van toelichting bij de artikelen 31 en 34 van de Wet Constitutioneel Hof die enige zorgen baart. In die toelichting wordt namelijk gesteld dat in deze artikelen is bepaald dat de rechter die in een concreet geval wordt gevraagd te oordelen over de strijdigheid van de toepassing van een wettelijke bepaling met de Grondwet of een verdrag, een prejudiciële vraag aan het Constitutioneel Hof ‘voorlegt’ en na de beslissing van het hof over de rechtsgevolgen daarvan voor het concrete geval oordeelt (p. 23). Daarbij zou volgens de toelichting ook limitatief zijn aangegeven ‘in welke gevallen geen prejudiciële vraagstelling is vereist’ (p. 33). De formuleringen ‘voorlegt’ en ‘is vereist’ duiden op een verplichting tot het voorleggen van prejudiciële vragen. Daarmee zou het hof een verstrekkende invloed op de rechtsgang kunnen krijgen. Gelukkig stroken deze formuleringen niet met de formulering van de artikelen 31 en 34 zelf. Daarin wordt de rechter met het woord ‘kan’ immers duidelijk een bevoegdheid tot het voorleggen van prejudiciële vragen verleend en hem geen verplichting daartoe opgelegd. Deze duidelijke wettekst moet doorslaggevend worden geacht.

 

De wet houdt namelijk ook in dat geen schorsing plaatsvindt in de volgende drie gevallen.

Deze drie gevallen staan vermeld in artikel 31, tweede lid, van de Wet Constitutioneel Hof. Dat artikellid gaat over het achterwege blijven van een prejudiciële vraagstelling, maar deze gevallen zijn via artikel 32, derde lid, en artikel 34, tweede lid, ook van toepassing op de schorsing van de behandeling door de rechter.

 

Dat oordeel zou bij de beslissing om niet te schorsen wederom gegrond kunnen worden op het grond- en mensenrecht op behandeling binnen een redelijke termijn.

Dit recht is als grondrecht verankerd in artikel 10 Grondwet en als mensenrecht in artikel 8, eerste lid, AVRM en artikel 14, derde lid, onder c, IVBPR. De redelijke termijn van het IVBPR geldt in alle fasen van een strafzaak, zie General Comment No. 32 van het Mensenrechtencomité over artikel 14 IVBPR, par. 35. Slachtoffers hebben ook op grond van het recht op rechtsbescherming in artikel 25, eerste lid, AVRM, aanspraak op een spoedige behandeling. 

 

Ook nu het Constitutioneel Hof volgens de wet binnen drie maanden een beslissing moet nemen.

Zie artikel 23 van de Wet Constitutioneel Hof.

 

Zoals het recht op leven, en de mensenrechten die nabestaanden van slachtoffers van ernstige mensenrechtenschendingen zoals buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies toekomen, met name het recht om te worden gehoord door een rechter en het recht op effectieve rechtsbescherming.

Het recht op leven is neergelegd in artikel 14 Grondwet, artikel 6 IVBPR en artikel 4 AVRM. Het recht om te worden gehoord is neergelegd in artikel 8, eerste lid, AVMR, en het recht op effectieve rechtsbescherming in artikel 25 AVRM. Deze laatste twee mensenrechten moeten in samenhang worden beschouwd met de op de staat Suriname rustende verplichting om de in het AVRM erkende rechten en vrijheden te respecteren en de vrije en volledige uitoefening daarvan te garanderen (artikel 1, eerste lid, AVRM).

 

Het Mensenrechtencomité heeft dat in zijn betrekkelijk recente ‘General Comment’ van 30 oktober 2018 over het recht op leven nader uiteengezet.

Het gaat om General Comment No. 36, Article 6: right to life, online beschikbaar via: https://bit.ly/3hhhYef. Voor het nieuwsbericht over de aanvaarding van dit General Comment, zie: https://bit.ly/2XRLiR1.

 

In relatie tot het recht op leven merkt het comité over immuniteiten hierbij het volgende op.

Zie het slot van paragraaf 27 van General Comment No. 36, Article 6: right to life.

 

Het Mensenrechtencomité bouwt hierbij voort op een eerdere General Comment van 29 maart 2004 over de verplichtingen die op verdragsstaten rusten.

Zie General Comment No. 31 [80], ‘The Nature of the General Legal Obligation Imposed on States Parties to the Covenant’ (d.d. 29 maart 2004): https://bit.ly/3dXo0i4, in het bijzonder paragraaf 18 daarvan.

 

Het Mensenrechtencomité wijst in zijn General Comment van 30 oktober 2018 ook naar rechtspraak van het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens.

Zie noot 112 aan het slot van paragraaf 27 van General Comment No. 36, Article 6: right to life. Suriname heeft op 12 november 1987 de rechtsmacht van het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens aanvaard overeenkomstig artikel 62 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens (AVRM). Daarmee heeft het land de rechtsmacht van dit hof als bindend erkend voor wat betreft de interpretatie en de toepassing van dit verdrag.

 

Hoewel dit niet de eerste keer was dat het Inter-Amerikaans Hof zich over amnestieën uitliet, wordt deze uitspraak, die in latere jaren is bevestigd, als een ‘landmark judgement’ gezien, een belangrijke richtinggevende uitspraak.

Zie Christina Binder, The Prohibition of Amnesties by the InterAmerican Court of Human Rights, German Law Journal vol. 12 (2011), nr. 5, p. 1203-1230, op p. 1208-1209. Online beschikbaar via https://bit.ly/2XO968d. De Barrios Altos-uitspraak is later onder meer bevestigd in de zaken Almonacid Arellano en anderen tegen Chili (2006) en La Cantuta tegen Peru (2006).

 

Klip en klaar oordeelt het Inter-Amerikaanse Hof in deze zaak dat amnestiewetten ontoelaatbaar zijn.

Zie Inter-American Court of Human Rights, Case of Barrios Altos v. Peru, Judgment of March 14, 2001, par. 41-43: http://www.corteidh.or.cr/docs/casos/articulos/seriec_75_ing.pdf. Bij het recht van nabestaanden om door een rechter te worden gehoord en hun recht op rechtsbescherming verwijst het Inter-Amerikaans Hof naar de artikelen 8 en 25 AVRM, in samenhang met de in artikel 1, eerste lid, AVMR neergelegde algemene verplichting van verdragsstaten om te verzekeren dat deze mensenrechten kunnen worden uitgeoefend.

 

Het invoeren c.q. niet-intrekken van amnestiewetten wordt dan ook in strijd geacht met de verplichting om het nationale recht in overeenstemming te brengen met dit verdrag.

Zie over deze verplichting, die is neergelegd in artikel 2 AVRM, in relatie tot amnestiewetten:

- Barrios Altos (2001), par. 39 en 42;

- Almonacid (2006): https://www.corteidh.or.cr/docs/casos/articulos/seriec_154_ing.pdf, par. 121-122;

- La Cantuta (2006): https://www.corteidh.or.cr/docs/casos/articulos/seriec_162_ing.pdf, par. 189.

 

--- fin ---

 

 

Laatste publicaties Laatste publicaties